interviews
7 september 2022

‘Wie is eerder klaar: mijn boek of ik?’ 

ANBO Magazine

De afspraak met Piet Spaans was al weken gepland toen drie dagen van tevoren plotseling zijn geliefde  vrouw Coby overleed. Ze waren 66 jaar getrouwd. Maar de 89-jarige Scheveninger wilde het interview over zijn verdiensten als historisch publicist toch door laten gaan. ‘De dood komt een keer.’ 

Het eerste dat opvalt bij binnenkomst in het Scheveningse appartement van Piet Spaans, is het fenomenale uitzicht over de stad waar hij al veertig jaar over schrijft, de duinen en in de verte de Noordzee. Terwijl zijn kleindochter thee en koekjes klaar zet, vertelt hij honderduit over het twaalfde boek waar hij momenteel aan werkt; het slotstuk van een jaar lang spitten in het Nationaal Archief in Den Haag naar de betrokkenheid van Scheveningse vissers bij maritieme spionage in de Tweede Wereldoorlog.

Magnum opus

Het boek laat al een decennium op zich wachten doordat Spaans na afloop van het onderzoek in 2018 verzeild was geraakt in een ander project; AT en JJ Reders met allure. Dit vuistdikke boek gaat over twee reders, vader en zoon Van der Toorn, hun bedrijven en wederzijdse familiebanden. ‘Mijn magnum opus’, stelt Spaans, niet zonder trots.Spaans is van plan zich binnenkort maanden achtereen te wijden aan het boek over maritieme spionage, tot het af is. ‘Nee, dan kan er geen vakantiedag vanaf. Met schrijven moet je alles van tafel vegen. Bovendien ben ik al 89. Dus de tijd is betrekkelijk geworden. Wie is eerder klaar; mijn boek of ik? Dat is de werkelijkheid.’

Zeevisser

Spaans is van huis uit opticien en rolde later in het communicatievak. Hij schreef rapporten namens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Met schrijven over geschiedenis begon hij pas in 1980. De kustplaats was in die tijd net herbouwd tot een badplaats van allure, iets waar de dorpelingen zich hevig tegen hadden verzet. ‘Binnen die sfeer was ik diep getroffen door een gesprek dat ik voerde met een oude Scheveningse zeevisser. Het bood mij de juiste stof om mijn dorpsgenoten voor te houden dat het leven van vroeger hen heel beslist óók niet was meegevallen.’

Hij schreef het verhaal op en publiceerde het in een lokale krant. Tot zijn grote verbazing kreeg hij op de dag van de plaatsing telefoon van de Haagse schrijver Pim Hofdorp, die vol lof was over het stuk. ‘Dat motiveerde mij om de levensloop van twaalf andere zeer oude dorpsgenoten vast te leggen.’ De waardering voor de oude verhalen bleek zo groot, dat er een boek volgde: Tachtigers van Scheveningen. ‘Toen was ik ineens een schrijver.’

Oud dialect

Er zouden nog vele publicaties en boeken volgen, waaronder zelfs een Schevenings woordenboek dat tot stand kwam in samenspraak met wetenschappers van het Meertens Instituut. De uitspraak en grammaticaregels van het oude dialect dat nu met uitsterven wordt bedreigd, is sinds 2004 veilig vastgelegd in De spreektaal van de Scheveningse kustbewoners.

Zorgeloze tijd

Spaans’ fascinatie voor het oude Scheveningen is goed te verklaren. Hij woonde er als jonge jongen zelf, als zoon van een zeevisser. Hij herinnert zich het kleine huis dat hij deelde met zijn drie broers en ouders. ‘Ons huis had een voorkamer, een achterkamer en een zolder. Daar sliepen we dan met z’n allen.’ Na de oorlog stonden van deze huisjes amper nog een paar overeind.

Van de vernietiging zelf heeft Spaans als kind niets meegekregen. Hij werd als achtjarige jongen met de rest van zijn dorp naar de Achterhoek geëvacueerd omdat Hitler een verdedigingslinie langs de Europese kust bouwde. De jaren die volgden, herinnert hij zich als een zorgeloze tijd waarin hij kennis maakte met de wereld buiten zijn vertrouwde gemeenschap. ‘In de Achterhoek ging men gewoon fietsen op zondag, dat was bij ons ondenkbaar. Ze gingen zelfs dansen! Nou, dat was in het streng protestantse Scheveningen zo goddeloos’, zegt hij lachend.

Levend erfgoed

De mensen die hij interviewde, niet alleen voor zijn eerste boek, maar ook voor de vele die daarna kwamen, zag Spaans als levend erfgoed. ‘Deze mensen waren geboren in de negentiende eeuw, in een wereld waarin er nog een paardentram reed en er geen telefoons waren. Opeens leefden zij in een wereld waarin mensen zomaar naar de maan vlogen. Ze hadden twee wereldoorlogen meegemaakt, de crisistijd, werkloosheid. Die mensen hadden zoveel te vertellen’, aldus Spaans, die inmiddels zelf net zo oud is geworden als de mensen over wie hij destijds schreef.

Klederdracht

Hij staat op en pakt het boek over Scheveningse klederdracht erbij, getiteld Mooi-Tooi, dat hij in 2000 publiceerde. De geportretteerde vrouwen tonen trots hun ‘silver haerijser’, het versierde hoofdijzer dat de kap op zijn plek houdt, evenals hun rokken, schorten en mantels. ‘Aan een vreemdeling laten ze dat niet zomaar zien. Scheveningers zijn toch een beetje eigen. Maar voor mij wilden ze dat wel doen. Ik kende deze vrouwen. Mijn moeder droeg ook klederdracht. In die wereld was ik opgegroeid.’

De dood

Met Coby, zijn vrouw, deelde hij die geschiedenis. Zij was net als hij kind van een Scheveningse zeevisser. Dat ze hem zo plotseling is ontvallen, vervult hem met verdriet. ‘Maar daar hoeft niemand treurig van te worden, want zo is het leven’, zegt Spaans berustend. ‘De dood komt een keer. Daarmee kun je misschien het interview eindigen. Had je dat zelf ook zo bedacht?’

Foto: Babs van Geel